terug |
AnatomieDe macrauchenia was de laatst overgebleven soort van de Litopterna en behoorde tot een unieke groep hoefdieren. Het dier had paard- en kameelachtige kenmerken. De macrauchenia was 3 meter lang en had een schouderhoogte van 1,5 meter. Het meest opvallende kenmerk aan de macrauchenia was de schedel. De neusgaten zaten bovenop zijn kop. Wetenschappers dachten vroeger dat de neusgaten als een soort blaasgat werd gebruikt (zoals bij walvissen) en dat het dier in het water leefde. Deze theorie werd verworpen nadat er skeletresten werden gevonden. De holtes in de botten van het voorhoofd geven weer dat het aanhechtpunten zijn voor goed ontwikkelde spieren. Men veronderstelt dat de macrauchenia een kort slurfachtig reukorgaan had, ongeveer zoals bij de tapirs. De botten in de poten, de enkelgewrichten, van de macrauchenia zijn heel stevig en schokbestendig. De onderbenen van de voorpoten zijn veel langer dan de bovenbenen, bij de achterpoten is het net andersom. Dit zorgde ervoor dat de macrauchenia snel, wendbaar en bewegelijk was. Hij kon dus snel van richting veranderen tijdens het rennen. De voet van de macrauchenia bestaat uit 3 tenen. Over de kleur van de vacht van de macrauchenia is niets bekend. Wetenschappers kunnen alleen maar uitgaan van bestaande dieren die in vergelijkbare omstandigheden leven (zoals de lama’s in Zuid-Amerika en de antilopen in Afrika). Op basis daarvan denken zij dat de macrauchenia een zandkleurige vacht had. De vacht van de macrauhenia was dik, dit bood hem genoeg bescherming tegen de koude van de ijstijden van het Kwartair.
|