Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 1: Oriëntatie op de detailhandel

 

 

1.  Groothandel                bedrijf dat producten koopt bij fabrieken en doorverkoopt aan de detailhandel

2.  Detailhandel               groep winkels

3.  Supermarkt                zelfbedieningszaak voor levensmiddelen en huishoudelijke producten

4.  Bouw- en hobbymarkt zelfbedieningszaak met bouwmaterialen en hobbymaterialen

5.  Tuincentrum               zelfbedieningszaak met tuinartikelen

6.  Warenhuis                  groot winkelbedrijf met verschillende afdelingen

7.  Cataloguswinkel/

     visual selling              winkel waar producten in vitrines (=glazen kasten) staan

8.  Speciaalzaak              winkel met artikelen op een bepaald gebied, bijv. dierenspeciaalzaak, rijwielhandel, schoenenzaak, enz.

9.  Foodartikelen             artikelen om te eten en te drinken

10. Non-food                   artikelen die geen voedsel zijn

11. Artikelgroep              artikelen die bij elkaar horen, bijv. frisdrank, brood, wasmiddelen, enz.

12. Assortiment               de artikelgroepen die een winkel verkoopt

13. Breed assortiment      veel verschillende artikelgroepen

14. Smal assortiment        slechts enkele artikelgroepen

15. Diep assortiment        van 1 artikelgroep veel keus in merk, prijs, model en kleur

16. Ambulante handel       de verkoper van producten trekt rond, bijv. markt, viswagen, enz.

17. Colportage                 de verkoper gaat bij de mensen langs de deur om te vragen of ze iets willen kopen

18. Party selling              de verkoper organiseert een bijeenkomst bij iemand thuis om te verkopen, bijv. tupperware, kledingparty’s make-up party’s, enz.

19. Postorderverkoop       verkoop uit boeken en de bestelling wordt aan huis bezorgd, bijv. Wehkamp, Otto, Neckermann, enz.

20. Leverancier               iemand die producten levert

21. Detailmedewerker      winkelmedewerker

22. Bedrijfsleider           iemand die een bedrijf leidt; hij zorgt ervoor dat iedereen een taak heeft, en controleert of die taken goed uitgevoerd worden

23. Administratie            mensen die zorgen voor betalingen, en alle brieven, enz.

24. Afdelingschef            het hoofd van een afdeling in een winkel

25. Verkoopmedewerker  iemand die de klant helpt en de winkel netjes houdt

26. Caissičre                   iemand die achter de kassa zit  

27. Magazijnmedewerker iemand die het magazijn op orde houdt, en de goederen aanneemt die geleverd worden

28. Consument                 klant

29. Zelfbediening            de klant pakt zelf de artikelen die hij nodig heeft, en rekent die bij de kassa af

30. Semi-zelfbediening    de klant wordt pas geholpen als hij weet wat hij wil kopen, bijv. groentewinkel, plantenzaak

31. Toonbankbediening     de winkelmedewerker bedient de klant, staande achter de toonbank, bijv. bakker, slager

32. Klassiek verkoop-

      gesprek                    verkoopgesprek waar de klant direct aangesproken wordt

33. Modern verkoop-

      gesprek                    verkoopgesprek waar de klant pas wordt aangesproken, nadat hij de artikelen bekeken heeft

34. BUZ-afdeling            Bedien-U-Zelf afdeling in een zelfbedieningszaak, waar de klant zelf kiest, afweegt, inpakt en prijst

35. Check-out                 kassa

36. Winkellocatie            de plaats waar de winkel staat

37. Winkelpassage           een overdekte winkelstraat, waar alleen voetgangers mogen komen

38. Winkelpui                 de voorkant van de winkel

39. Etalage                     Ruimte direct achter de winkelruit waar artikelen zijn uitgestald

40. Stopkracht van een

      etalage                     de etalage ziet er zo goed uit dat voorbijgangers stil staan om de artikelen te bekijken

41. Beeldmerk of logo      figuur of letters waaraan je direct de winkel herkent

42. Beeldlogo                  logo in de vorm van een figuur

43. Letterlogo                 logo in de vorm van een of meerdere letters

44. Spaarsysteem            manier om klanten te trekken en te houden door een vorm van sparen, bijv. zegeltjes of punten

45. Reclame                    aandacht van de klant trekken

46. Impulsaankoop           de klant besluit plotseling iets te kopen

47. Werkgever                iemand die mensen in dienst heeft

48. Arbeidsovereenkomst papier waarop de afspraken die de werkgever met je maakt staan (salaris, werktijden, begindatum, soort contract, enz.)

49. Indiensttreding         datum dat je met het werk begint

50. Salarisspecificatie    papier met gegevens over het loon dat je hebt verdiend

51. Snipperdag                dag die je tussendoor vrij neemt


Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 2: Goederenbehandeling

 

 

1.  Goederenbehandeling   de ontvangst, het opslaan en het winkelklaar maken van goederen

2.  Bestellijst                  lijst met goederen die de leverancier moet leveren

3.  Colli                          verpakkingsmateriaal

4.  Lossen                        het uitladen van bijv. een vrachtwagen

5.  Vrachtbrief               papier waarop staat wat de administratie heeft besteld

6.  Laadklep                    soort lift achterop  de vrachtwagen waar goederen mee in en uit de vrachtwagen geladen worden

7.  Rolcontainer               verrijdbaar rek waar goederen in geplaatst worden

8.  Pallet                         houten vlonder

9.  Kwantitatieve

     controle                     controle of de hoeveelheid klopt

10. Kwalitatieve controle  controle of de goederen goed aangekomen zijn, bijv. onbeschadigd

11. Pakbon                       lijst waar alle geleverde goederen op staan

12. Het melden van

     manco’s                      bij de administratie melden dat er iets mis is met de goederen

13. Emballage                  verpakkingsmateriaal, bijv. een krat, fles

14. Borg                          bedrag dat je bij het huren van een apparaat moet betalen, maar weer terugkrijgt als je het inlevert

15. Statiegeld                 vorm van borg, bijv. voor flessen en kratten

16. Magazijn                   ruimte waar alle artikelen opgeslagen staan die niet in de winkel staan

17. Open magazijn           ieder personeelslid kan in het magazijn

18. Gesloten magazijn       er is apart personeel dat het magazijn beheert

19. Voorraad                   producten die in het magazijn staan

20. Vorkheftruck            transportmiddel waarmee je grote, zware producten kunt verplaatsen en ook hoog weg zetten

21. Pallettruck                kleine, verrijdbare heftruck, met een motor

22. handpallettruck         kleine, verrijdbare heftruck die met de hand bediend wordt, om pallets over kleine afstand te verplaatsen

23. Dolly                        plateau op wielen, om zware materialen te verplaatsen

24. Vast locatiesysteem   alles in het magazijn heeft zijn vaste plaats

25. Vrij locatiesysteem    de plaats waar artikelen staan in het magazijn wisselt

26. Intern transport       goederen op hun plaats zetten in het magazijn

27. Inventariseren          het tellen van de voorraad

28. Stanleymes                scherp mesje dat je gebruikt om dozen te openen

29. Tray                         kartonnen bodem

30. Traypacken               weghalen van de bovenkant van een doos om deze zo in het schap te zetten

31. Sorteren                   artikelen in groepjes bij elkaar zetten

32. Fifo-systeem             First in – first out, het eerste erin – het eerste eruit

33. Winkeldochter          een artikel dat door iedereen vergeten is

34. Administratieve

      voorraad                   voorraad die op papier aanwezig is

35. Balansen                    de hele voorraad (inclusief de winkel) met de hand tellen

36. Groothandels-

      verpakking                verpakking waarin voorraad door de groothandel wordt aangeleverd

37. Voorverpakken          artikelen inpakken voordat deze de winkel in gaan

38. Voorbewerken           het klaarmaken van producten en voorverpakken, bijv. vleeswaren snijden

                                      het samenvoegen van artikelen voor een reclame actie, bijv. autoshampoo met spons, 3 paar sokken, enz.

39. Uitprijzen                 een prijs geven aan een artikel

40. Omprijzen                 de prijs van een artikel veranderen

41. Afprijzen                  de prijs van een artikel verlagen

42. Opprijzen                 de prijs van een artikel verhogen

43. Schaprail                  de voorkant van het schap waar prijskaarten ingeschoven kunnen worden

44. Code                         manier om veel informatie kort te noteren

45. Streepjescode of

      EAN-code                 Europese Artikel Nummering, code voor Europa die productgegevens bevat

46. PLU-code                  Price Looking Up code, waarmee snel de inkoopprijs van een artikel opgezocht kan worden

47. THT-code                 Tenminste Houdnaar Tot – houdbaarheidsdatum

48. Inkoopprijs               prijs die de winkelier bij de leverancier voor het artikel betaalt

49. Prijstang                   tang waarmee de prijs op een artikel wordt gestickerd

50. Ridderspoor              tang waarmee een prijskaartje aan bijv. een trui of broek gehangen kan worden; de tang schiet een nylonkoordje (tag) door de stof


Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 3: vakken vullen

 

 

1.  Display                       een aparte opmaak van artikelen op een speciaal schap,  een speciale tafel of een kartonnen standaard

2.  Eilanddisplay              standaard die midden in de zaak staat

3.  Wanddisplay              standaard tegen de wand

4.  Consumptieverwante

     artikelen                    artikelen die bij elkaar horen in het gebruik, bijv. tandpasta en tandenborstel

5.  Productverwante

     artikelen                    verschillende merken van 1 artikel, bijv. Prodent, Elmex, Colgate, enz.

6.  Schappenplan             papier waarop staat waar in de winkel en op welke hoogte een artikel moet staan

7.  Gouden schap              schap op ooghoogte

8.  Reikhoogte                 het hoogste schap

9.  Ooghoogte                  2e schap van boven, ongeveer ter hoogte van je ogen

10. Grijphoogte               3e schap van boven, ongeveer ter hoogte van je dijbeen

11. Bukhoogte                  onderste schap, waarvoor je moet bukken

12. Spiegelen                   artikelen vooraan in het schap zetten

13. Mancolijst                 lijst met artikelen die iets mankeren


Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 4: Derving

 

 

1.  Derving                      artikelen die niet verkocht kunnen worden doordat ze beschadigd zijn, zoekgeraakt of gestolen


Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 5: Onderhoud

 

 

1.  Materiaalwagen           schoonmaakkar

2.  Blauwe emmer             emmer voor handwarm water met reinigingsmiddel

3.  Rode emmer                emmer voor handwarm water om in uit te spoelen (vuil water emmer)

4.  Klamvochtige doek      goed uitgewrongen doek

5.  Glazenwasserkoppel    speciale riem voor het glazenwassen   


Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 6: Sociale vaardigheden

 

 

1.  Recreatieve klanten

     of funshopping           voor het plezier winkelen

2.  Productinformatie

     geven                         iets vertellen over een artikel

3.  Bedrijfskleding          kleding die het bedrijf voorschrijft

4.  AN                            Algemeen Nederlands


Woordenlijst cursus detailmedewerker

 

Module 7: Veilig werken

 

 

1.  Pincet                         klemmetje van ijzer

2.  Ergonomie                  verstandig met je lichaam omgaan, dus letten op een goede houding