|
Punt- en proplassen
B ij
de fabricage van auto's wordt bijna uitsluitend gebruik gemaakt
van puntlassen. Dat geldt met name voor het samenbouwen van de
carrosserie. Bij het puntlassen worden twee plaatdelen met
kracht tegen elkaar gedrukt waarna er een sterke stroom door het
laspunt wordt gestuurd. De platen 'smelten' op het drukpunt aan
elkaar zonder dat er verder materiaal hoeft te worden
toegevoegd. Op die wijze ontstaat een lasverbinding van circa 6
tot 8 millimeter in diameter. Dit proces wordt om de zoveel
centimeter herhaald.
NB - Een dergelijke
verbinding is dus niet volledig 'afgelast'. Door de verhitting
tijdens het lasproces vindt direct al oxidatie rond het laspunt
plaats. Roestvorming rond de puntlassen is daarmee gegarandeerd
en bij veel oudere auto's ook duidelijk zichtbaar.
Bij ons roestoratiewerk
moeten uiteraard de nodige carrosseriedelen worden gerepareerd
of vervangen. Dat begint meestal met het verwijderen van
aangetast of beschadigd plaatwerk. Sterk verroeste delen moeten
worden uitgeslepen. Daarbij kan het noodzakelijk zijn om
bestaande puntlasverbindingen los te maken. We willen daarbij
het onderliggende metaal echter zo min mogelijk beschadigen. Er
bestaan voor dit doel speciale hulpmiddelen zoals
puntlasboortjes en -frezen.
B ij het
weer monteren zou het uiteraard handig zijn als we daarbij ook
de beschikking zouden hebben over puntlasapparatuur. Dat is
echter voor de meesten onder ons niet haalbaar. Deze apparatuur
(zie afbeelding 1) is vrij kostbaar en vereist een zware
krachtstroomaansluiting (het lassen geschiedt met circa
tienduizend ampère). Bovendien zijn de lasplaatsen meestal
onvoldoende toegankelijk voor het maken van 'echte' puntlassen.
Gelukkig bestaat er een simpele techniek, het maken van
proplassen, waarmee we met een eenvoudig Mig/Mag lasapparaat
vrijwel hetzelfde effect kunnen bereiken.
Bij
een proplas maken we eerst een gaatje van 5 à 6 mm in één van de
twee plaatdelen. Vervolgens klemmen we de plaatdelen op elkaar
en lassen we het gaatje weer dicht. Op die manier maken we een
las die veel lijkt op een puntlas. Het dichtgelaste gaatje bevat
een 'prop' gesmolten metaal, vandaar de naam proplas. Meestal
zullen we een hele serie proplassen op een rij moeten maken om
een verbinding over de volle lengte van een plaatdeel te
verkrijgen. In de tekst hieronder zullen we één en ander nog
eens in detail bekijken. Als amateur kan je op deze wijze met
eenvoudige middelen erg ver komen. Vrijwel al het laswerk aan de
carrosserie van een auto is zo uit te voeren. Bovendien voldoet
deze methode aan de eisen die voor de APK worden gesteld.
Het
maken van proplassen
We
beginnen met het maken van gaatjes in één van de twee te
bevestigen plaatdelen. Meestal maken we die gaatjes in het
reparatiedeel. In ieder geval moet het gaatje straks bereikbaar
zijn met de lastoorts. Dat betekent dus in de praktijk dat we
hiervoor de 'buitenste' plaat gebruiken. Het is mogelijk om deze
gaatjes te boren. Het gaat echter beter, en een stuk
makkelijker, als je gebruik maakt van een ponstang. Met deze
tang maak je moeiteloos een hele serie gaatjes van exact 6 mm.
Door de instelbare aanslag kunnen bo-vendien alle gaatjes op
exact dezelfde afstand tot de rand van de plaat worden gemaakt.
Boren kan dus wel maar levert een minder mooi resultaat op. Door
de warmteontwikkeling kan de plaat ook vervormen. De onderlinge
afstand van de gaatjes moet ongeveer 2 cm zijn. Dat wordt
vereist voor de APK (zie het hoofdstuk over de APK-eisen).
De
volgende bewerking is alleen nodig als we de twee plaatdelen
'vlak', dus in het ver-lengde van elkaar, willen verbinden. Dat
komt vaak voor bij het repareren van portieren, spatbordranden,
achterhoeken etc. In de eerste plaat, zoals gezegd meestal het
reparatiedeel, hebben we dus al de nodige ponsgaatjes gemaakt.
Vervolgens maken we aan het tegenliggende plaatwerkdeel een
soort Z-vormige rand. We noemen dat een verzet en doen dat dan
ook met de speciaal hiervoor bedoelde verzettang.
De
verzettang heeft een bek van ongeveer 2 cm breed waarin dit
profiel, een verdieping van ongeveer 1 mm, terug te vinden is.
Door aan de rand van de plaat te beginnen kunnen we telkens een
klein stukje verzet aanbrengen. Als we de tang iedere keer
ongeveer 1 tot 1,5 cm opschuiven krijgen we een keurig strakke
rand. Het maken van een verzet heeft nog een bijkomend voordeel.
Door het aanbrengen van een profiel wordt de plaatrand
verstevigd en zal de naad er uiteindelijk strakker gaan uitzien.
De kans op kromtrekken tijdens het lassen wordt daardoor ook
iets verminderd. Zonder een verzettang is het niet echt mogelijk
een dergelijke rand te maken. Pons- en verzettangen zijn te koop
als afzonderlijke stukken gereedschap maar ook in
combinatievorm, de zogenaamde pons/verzettang. Afzonderlijke
tangen zijn bij elkaar iets duurder maar werken in de praktijk
wel een stuk handiger.
Als de ponsgaten en het verzet zijn gemaakt klemmen we de platen
goed strak tegen elkaar. Dat kan wel eens lastig zijn maar is
bijzonder belangrijk. We gebruiken hiervoor klemtangen,
lijmtangen, speciale lastangen, alles wat maar klemmen wil en
hittebestendig is. Soms lukt het desondanks niet goed omdat de
tang domweg niet op de juiste plaats is aan te brengen. In dat
geval kun je ook de platen met kleine zelftappertjes aan elkaar
schroeven. Controleer nu of alles precies op de juiste plaats
zit. Als we eenmaal beginnen te lassen dan is het te laat.
Het
lassen zelf is relatief eenvoudig. We mikken met de lastoorts op
het midden van het gaatje. Daarna circa 2 à 3 seconden de knop
indrukken. Als het goed is vloeit het gat vanzelf mooi dicht.
Het is belangrijk dat er in korte tijd vrij veel warmte wordt
toegevoerd. Op de lasplaats moet het materiaal van de onderste
plaat samensmelten met de het toegevoegde materiaal èn het
materiaal van de bovenste plaat. Als de lasplaats niet warm
genoeg wordt ontstaat er een broze las die je zo weer los trekt.
Maak je het te warm dan loop je het risico dat je grote gaten in
de plaat brandt. Bovendien moet je voldoende, maar ook weer niet
teveel, lasdraad toevoeren om een mooie vlakke las te creëren.
Het vinden van de juiste afstelling van het lasapparaat vergt
enige oefening en verschilt ook per lasapparaat (zie
instellingen hieronder). Als alles goed is dan gaat het lassen
gepaard met een zacht gezoem en weinig of geen gespat en
gesputter. De lasplaats wordt dan vaak vanzelf mooi opgevuld en
behoeft nog slechts weinig of geen nabewerking. Aan de
achterzijde van de las kun je zien of de 'inbranding' voldoende
is. Bij een goede las is aan het metaal aan de achterzijde
duidelijk te zien dat het gesmolten is.
Volgens sommigen krijg je de mooiste proplassen
door tamelijk grote gaten in de te bevestigen plaat te maken.
Denk aan 8 tot 10 mm. Vaak hebben we echter niet voldoende
ruimte om zulke grote gaten te maken. We zullen het meestal met
gaten van 6 mm moeten doen. Dat is ook de maat van de gaten die
de ponstang maakt.
Instellingen
| Bij het gebruik van de
Cebora lasapparaten kan als basisinstelling worden
uitgegaan van het volgende: |
- Zet de stroomsterkte knop op 5 (7
standenregeling).
- Zet de draadsnelheid op 4 (bij gebruik van 0,6
mm draad).
|
|